Kinderen en dood

Posted By Frouckje on Feb 2, 2018 | 0 comments


Houd kinderen niet weg bij de dood! Voor het Nederlands Dagblad schreef ik een persoonlijk essay over mijn ervaringen met kinderen betrekken bij ziekte en dood. 

Jong geleerd, oud gedaan: omgaan met de dood

‘Ik wil best mee hoor. Ik heb het toch al een keer meegemaakt’, zei mijn neefje van zeven jaar onlangs tegen zijn moeder. En óf hij het al een keer had meegemaakt: een begrafenis. Zijn eerste kennismaking met de dood was een forse. Vooraan in de kerk zat hij, naast zijn ouders en broertje, met zijn Duckies bij zich. Zijn oom, met wie hij een goede band had, lag voor hem in de afgesloten kist. Vlak voor de dienst had hij nog gezien hoe zijn oom daar in lag; doodstil, netjes in zijn pak. Op de zijkant van de kist had hij eerder die week met krijt geschreven: ‘liefe oome Mart’ met de namen en omtrekken van de handjes van hem en zijn broertje erbij. Mijn neefje maakte mee dat mijn man, die zo mooi kon vertellen over hoe ver de zon van de aarde vandaan is en kon uitbeelden hoe groot een walvis is, van de ene op de andere dag door een operatie veranderde in een hulpbehoevend mens die niet meer op de juiste woorden kon komen. Hij bezocht zijn oom meerdere malen in het ziekenhuis, in de revalidatiecentra en thuis. ‘Is ome Mart nou nog niet beter?’, vroeg hij zich na een tijd hardop af. Ondanks al dat bidden en al die dokters, leek hij te denken. Zelf dokterde hij uit dat er gradaties zijn in soorten ziekten. Dat een griepje iets anders is dan een hersentumor. Dat je dus niet meteen bang hoeft te zijn als je je een paar daagjes niet lekker voelt. Hij zag zijn oom tot vlak voor het einde, liefdevol omringd door de hele familie. Op een natuurlijke manier waren hij en andere jonge neefjes en nichtjes betrokken bij het hele afscheidsproces. Het traumatiseerde hem niet, maar bracht hem waardevolle levenslessen bij, die hij nu al in de praktijk brengt.

Zelf had ik als kind andere ervaringen met afscheid en verlies. Als klein meisje woonde ik pal naast de Noorderbegraafplaats in Leeuwarden. Ik zag en hoorde daar – en in de kerk – meer dan goed was voor mijn fantasievolle brein, maar kennelijk te weinig om een reëel beeld te krijgen van de dood. Een buurjongetje van acht jaar kwam er ook te liggen, nadat hij op een zonnige zomerdag op de weg ernaast verongelukte. Ik zag de ambulance wegrijden en even later hoe twee vriendjes het gehavende fietsje terug brachten naar zijn huis. Ik ging niet naar de begrafenis, wist niet wat ik moest met mijn gedachten en gevoelens en ontwikkelde een sterke angst voor alles wat met dood en ziekte te maken had. Het was precies om die reden dat ik als tiener, toen mijn pake overleed, van mijn ouders mee moest naar de aula waar hij opgebaard lag. Achteraf ben ik dankbaar dat ze daar op stonden. Voorzichtig keek ik over de rand van de kist om daar pake te zien liggen; kalm en vredig, bleek als een wassen beeld. Eigenlijk niks engs aan, een beetje vreemd, dat wel. Ik zag dat een tante een traantje wegpinkte, dat mocht dus ook. Voorzichtig liet ik mijn eigen tranen toe. Pake werd begraven in het Friese dorp waar hij zijn hele leven had gewoond en gewerkt. Mijn vader vertelde voorin het volle kerkje liefdevol over het leven van zijn heit. Na de plechtigheden was het gezellig, met de vele ooms, tantes, neefjes en nichtjes die overal vandaan naar Friesland waren gekomen. Sindsdien weet ik dat je kinderen niet weg moet houden bij de dood.

Een open kist is in het Friese dorp waar mijn ouders vandaan komen doodgewoon. Respectvol, maar ook met een zeker nuchterheid, wordt er omgegaan met het lichaam en de nagedachtenis van de gestorvene. Met eenvoudige, vaste rituelen, waaronder (in mijn familie) het samenkomen in de kerk, het plechtig dragen van de kist door het dorp heen op de schouders van dorpsgenoten tot het ontspannen napraten met een kop koffie en koek. Verdriet draag je samen en daar hoef je niet krampachtig in te zijn, was wat ik er leerde. Mijn angst voor de dood was niet weg na de begrafenis van mijn pake, maar ik liep er voortaan niet meer van weg. Als volwassene besloot ik, geïnspireerd op de ervaringen uit mijn jeugd, voortaan vrijmoediger om te gaan met de dood. Door op mijn eigen manier uiting te geven aan mijn gevoelens, eigen rituelen te ontwikkelen en op mensen af te stappen als zij in hun leven met verlies te maken krijgen. Sinds ik zelf weduwe geworden ben, weet ik pas hoe belangrijk dit is. Waarbij ik hierbij meteen de kanttekening wil plaatsen dat dit allemaal verdraaid ingewikkeld kan zijn.

Tien maanden geleden overleed mijn man na een jaar vol ziekte en zorgen. In dat jaar merkte ik hoe moeilijk het is als je plotseling van hulp afhankelijk wordt. Als ‘dat wat een ander overkomt’ opeens jouw realiteit is. Het maakte niet alleen mij onzeker, maar ook de mensen om ons heen. Alhoewel het meeleven en de bereidheid om te helpen groot waren, merkte ik tegelijkertijd een schroom bij veel mensen om ons heen. Spontaan langskomen? Kan dat? Is dat wel gewenst? Maar een praatje, een bord eten, een bloemetje, een wandeling, gezelschap of een momentje zorgrespijt komen niet snel ongelegen. Meelijden is naast de ander gaan staan. En er was één iemand die zich dat beter realiseerde dan wie dan ook. Twee weken voordat mijn man overleed, kreeg ik een berichtje uit Engeland van een Sudanese familievriendin. Ooit was zij vluchteling en werd zij met haar kinderen naar Nederland gehaald waar een plaatselijke kerkgemeenschap liefdevol om hen heen ging staan. Ook mijn ouders nodigden het gezin regelmatig uit voor een maaltijd. Het gezamenlijk eten van boerenkool en worst bleek de basis van een liefdevolle band tussen twee gezinnen die zo verschillend waren in uiterlijk en afkomst, maar als familie van elkaar werden. Omdat we elkaar vonden in iets wat cultuur en ras overschrijdt: de diepe behoefte om gezien te worden, om veilig te zijn en ergens bij te horen, om samen te eten en te drinken. Hoe verschillend ook, er is altijd iets wat ons mensen bindt; we worden geboren en zullen eens sterven en in die tussentijd hebben we in basis allemaal hetzelfde nodig om te kunnen leven. Deze vriendin nam zonder aarzelen een paar dagen vrij, kocht een kaartje voor de bus en reisde van Manchester naar ons toe. Heel vanzelfsprekend en bescheiden nam ze haar plekje bij ons in en hielp ons met het verzorgen van mijn man. Het was een zegen. Ze was er gewoon, ze deelde uit en daardoor ontwaakte in mij het besef dat mijn verhaal onderdeel is van een oneindig verhaal van liefde en lijden.

Wij leven in een samenleving die liever niet geconfronteerd wordt met ziekte en dood. We blijven er het liefst zo ver mogelijk vandaan. Blijven hopen op genezing en de kennis en kunde van medici. We negeren daarmee massaal een realiteit waar iedereen uiteindelijk een keer mee te maken krijgt, namelijk die van dood en verlies! We leren – kortom – onvoldoende om te gaan met verlies en tegenslag en om te gaan met mensen die met een groot verlies te maken krijgen.

Een meisje uit de klas van mijn neefje verloor haar vader kort geleden aan een hersentumor. De spontane constatering van mijn neefje, dat een begrafenis voor hem geen bezwaar was, omdat hij er al eentje had meegemaakt, verraste zijn ouders. Ze besloten dat hun zoontje zelf mocht kiezen of hij meeging naar de begrafenis. Op het laatst besloot hij dat hij toch liever buiten wilde spelen met zijn vriendjes. Dat is okay! Maar zijn openhartige overweging om te gaan en het feit dat hij eerder al uit eigen beweging een mooie kaart voor zijn klasgenootje tekende, bewijst voor mij dat we er goed aan hebben gedaan de kinderen niet weg te houden van hun zieke, stervende oom. Wie als kind  leert omgaan met dood en verlies, zal als volwassene minder schroom hebben als er een sterfgeval plaatsvindt en een grotere kans de veerkracht en moed vinden om door te gaan na een indringend verlies.

Submit a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *

%d bloggers like this: